Skip navigation

Monthly Archives: August 2020

“Meneer…” iemand achter me vraagt mijn aandacht, dus ik draai me om. “O sorry, hoor… ik bedoel ‘mevrouw’.” Met een geruststellende glimlach zeg ik dat het niet geeft, dat het mij vaker overkomt dat ik met ‘meneer’ word aangesproken. En dat ik dat niet erg vind. Maar toch voelt degene die mij met de ‘verkeerde’ titel aansprak zich ongemakkelijk. Waarom? Wat is er zo belangrijk aan iemands geslacht?

Er was een tijd dat ik het juist fijn vond om met ‘meneer’ te worden aangesproken. Het bevestigde mijn overtuiging dat ik eigenlijk als jongetje geboren had moeten worden. Ik schrijf met opzet ‘overtuiging’ en niet ‘gevoel’. Net als vrijwel iedereen dacht ik in binaire termen: je bent een man of je bent een vrouw. Maar wat ik dacht, kwam niet overeen met wat ik voelde: soms noch het één noch het ander en soms beide.

Als kind maakte ik het onderscheid niet, al speelde ik liever met jongetjes omdat die dezelfde dingen leuk vonden als ik. Avontuurlijke spelletjes, pijl en boog maken, in bomen klimmen (weer naar beneden komen was een heel ander verhaal – dan deed mijn hoogtevrees zich gelden), vissen en fikkies stoken. In het algemeen hield ik meer van doen dan van kwebbelen. Ik had één goede vriendin op de lagere school – maar die had een grote hond, reed paard en hield van stoere spelletjes, bij voorkeur met de windbuks van haar oudere broer – dus die had zich gekwalificeerd als geschikt speelkameraadje.

Toen mijn borsten begonnen te groeien, voelde ik mij verraden. Ik had geen magische bezweringsformules à la Andreas Burnier, maar riep woedend tegen mijn moeder ‘ik hak ze eraf!’ Helaas trok mijn lichaam zich niets aan van wat ik wilde en werd een vrouwenlichaam. Mijn puberteit was zo mogelijk nog verwarrender dan hij toch al hoort te zijn. Gestimuleerd door mijn mooie en zeer ijdele moeder begon ik soms vrouwenkleding te dragen, mij op te maken en ik liet mijn haar groeien. Alles om haar maar gelukkig te maken, hoe ongemakkelijk ik mij ook voelde in sexy, vrouwelijke kleding. Ik voel nog steeds de te korte rokken (mini was in de mode) die ik uit alle macht naar beneden bleef trekken. Jeans waren mijn redding: modieus en niet al te vrouwelijk, al moesten ze wel strak zitten volgens de geldende normen.

Rond mijn achttiende, in 1974, overwoog ik serieus een geslachtsveranderende operatie. Maar de endocrinoloog van de VU was het daar niet mee eens en verwees mij naar een psycholoog. Daar ging het al heel snel over andere zaken die mij dwarszaten. Het onderwerp ‘geslacht’ was kennelijk afgehandeld en ik legde mij enigszins mokkend neer bij de onveranderbaarheid van mijn lichaam.

Wat bleef, was de aantrekkingskracht van androgyne verschijningen, of zij nu man of vrouw waren. Vooral ‘jongensachtige’ meisjes en vrouwen waren het object van mijn – meestal stille – aanbidding. Maar ook mannen met een vrouwelijke uitstraling intrigeerden mij, ware het dat mijn belangstelling voor hen niet seksueel van aard was.

Gedurende een lange periode bleef mijn haarlengte de morsecode waaraan mijn genderidentificatie van het moment viel af te lezen: lang – kort – kort – lang – lang – kort. Ik kleedde mij meestal zo neutraal mogelijk, maar dat viel niet op in de kringen waarin ik verkeerde, linkse activisten en krakers.

Langzaam, achteraf verbazend langzaam, ging de buitenkant, de uiterlijke schijn van mijn lichaam, er steeds minder toe doen. Door onderzoek te doen kwam ik erachter dat mijn hersenen meer ‘mannelijke’ eigenschappen hebben dan die van de gemiddelde vrouw. Dat klopt met mijn ervaringen met hetero-vriendinnen die mij soms geïrriteerd laten weten dat ik in mijn reacties ‘net een man’ ben. Tja, als je mij uitgebreid gaat vertellen over je problemen, dan verwacht ik dat je advies wilt hebben, maar dat blijkt dus een mannelijke gedachte te zijn.

Tegelijkertijd ben ik zeer zorgzaam (dus ‘vrouwelijk’), zoals ik de afgelopen tien jaar heb ontdekt. Het zorgen voor mijn oude moeder openbaarde een moederlijkheid die ik niet van mijzelf kende. Ik kookte vaak voor een hele week voor haar, omdat zij de door de zorginstelling aan huis bezorgde diepvries maaltijden vies vond. En terecht. Ik zette moeder en rollator (later rolstoel) in mijn auto en reed het hele land door naar tentoonstellingen of concerten. Want zonder kunst, literatuur en muziek had het leven geen zin voor haar. Mijn rug bleek na het overlijden van mijn moeder voorgoed beschadigd, maar dat woog niet op tegen het besef dat ik haar laatste jaren een beetje minder verschrikkelijk had helpen maken. Hoe vrouwelijk van mij.

Het erkennen, nee, omarmen van beide kanten van mijzelf blijkt te zijn wat ik nodig heb. De gedachte dat ik ‘in het verkeerde lichaam’ zit, stierf langzaam weg. Goed, ik geef toe dat ik nog steeds zou willen dat mijn borsten kleiner waren, liefst ‘erwten op een plankje’, maar aangezien ik principieel tegen onnodige medische ingrepen ben, laat ik het maar zo. Uiteraard beschouw ik geslachtsveranderende operaties bij transgenders niet als onnodig. Ik begrijp het lijden, maar weet nu definitief dat ik niet tot deze groep behoor.

Ik ben ouderwets androgyn. Dus ik draai me om als iemand ‘meneer’ naar me roept en glimlach vriendelijk. Want ik ben óók een meneer.

%d bloggers like this: