Skip navigation

Sometimes an emergency is a wake up call… I can honestly say I am very much aware of climate change and its consequences. I have never denied it, and read a good deal about it. The question, though, is: Am I prepared? I never gave that question much thought. Until last night…

It has been a very, very hot summer in The Netherlands. I hated the extreme heat, but drank lots of water and dealt with it. My beautiful garden survived, thanks to my loving care. I watered the plants when needed with water from my rain barrel, until that ran out and I had to use tap water. Only if and when absolutely necessary, of course.

As I wrote in my last blog, my Mediterranean plants thrived: beautiful Coeur de Boeuf tomatoes, eggplants, olives, figs and an enormous amount of grapes, which are sweet and delicious. It is a small comfort in light of the weather horrors, of course, but I’ll take it.

And then the rain came… nothing happened, no roof calamities. In the first dry week after the rains, the roofer came to install new roof windows on the section of my house that has a flat roof. Shortly after starting his work, he called me and told me the roof was in terrible condition; he took photos of the problem areas where he was working, so he could prove the leakages that were to be expected weren’t his fault. When the work was done, he offered two options: fix the upper layer of roof covering, or replace the roof completely. I asked him to send me a quotation for a new roof. I would have to take out a loan, but The Netherlands has a service called ‘Warmtefonds’ which lends money for climate adaptation measures against very good conditions.

The roof held. No leaks. Until last night. There was a downpour of the extreme kind that we are just getting used to. I wanted to go to bed and had to be in the bathroom… My first thought was that the faucet was leaking, because the small towels next to it were soaking wet. As was the marble top of my beautiful old bathroom cabinet. After drying everything, I felt for a leak in the faucet. Nothing.

But then. Drip. Nothing. Drip. It finally dawned on me: the leakage came from the newly installed roof window. As the downpour did not subside, I entered a full-blown panic attack. What if the whole roof collapses… I will be on vacation in ten days from now… what if it keeps raining all the time? I suddenly didn’t feel the safety of my house anymore. It could all vanish, just like that.

Amidst my doom fantasies, I remembered what – most recently – happened in Tibet, where probably thousands of people have drowned due to floods caused by climate change. And then I thought of the thousands of Ukrainians who not only lost their homes because of Russia bombing civilian targets, but often also family members. And the people in Gaza, who have nothing to return to; the Palestinians in the occupied West Bank, who are driven from their homes by settler terrorists… And … and … and.

It did not exactly allay my fears, but it made me understand how brave and resilient these people must be… and I realised how completely unprepared I am for real calamities. Not a comforting thought, but it brought everything into perspective.

So, instead of giving in to fear and (self)loathing, I waited for a break in the rain, put on my shoes and rain coat, got the ladder, a broom and a tarp from the shed. Suppressing my fear of heights, I climbed the ladder, swept as much water as possible toward the drainpipe at the edge of the roof, and carefully spread the tarp over the leaking roof window.

The leakage didn’t stop, but diminished to a manageable amount. I went to bed and – contrary to my expectation – slept like a log until early this morning. Luckily, I was just in time to empty the small container I place under the leak.

I am still utterly unprepared for a real big world calamity. But at least I know now.

Mijn multihorticulturele tuin is een piepklein pleistertje op de enorme wond van de klimaatverandering. Behalve inheemse bloeiende en eetbare planten heb ik ook veel soorten mediterrane planten: een prachtige olijfboom, gekregen van mijn helaas overleden beste vriend Piet, een vijgenboom, twee soorten druiven, en verschillende soorten niet-inheemse kruiden: laurier, basilicum, salie, verveine, rozemarijn, kerriekruid. En ook ‘gewoon’ aardbeien… en komkommers.

En elk jaar tomaten, veel tomaten. Dit jaar dacht ik, kom ik probeer eens coeur de boeuf tomaten. U kent ze misschien wel: bizar gevormde, meestal heel grote tomaten. Na lang in spanning te hebben gezeten of het wel iets zou worden, heb ik nu al vier prachtige geoogst en er hangen er zeker nog twintig aan de planten om te rijpen.

Je moet coeur de boeuf tomaten niet helemaal aan de plant laten rijpen, maar ze voortijdig plukken en binnen laten narijpen. Gisteren was het zover dat ik er een kon eten. Ik besloot een van mijn lievelingskostjes te maken: gebakken ei met meegebakken tomaat. De eerste hap stuurde mij zevenenveertig jaar terug in de tijd.

Mijn eerste vakantie in Frankrijk, in de Dordogne, met mijn beste middelbare schoolvriend Erik. We kampeerden natuurlijk, en kookten (ik kookte) op zo’n wiebelig camping gaz toestelletje waar één pannetje op past. Om inkopen te doen gingen we naar de markt in een nabij gelegen dorp. Daar zag ik voor het eerst die enorme tomaten, deels nog groen en met met uitstulpingen aan alle kanten. Gelukkig was ik nieuwsgierig genoeg om me niet door hun monsterlijke uiterlijk ervan te laten weerhouden er eentje te kopen. Een fles olijfolie hadden we al gekocht in de plaatselijke supermarkt. En eieren, die hadden we ook. Dus ik zette het mini-koekenpannetje op het camping gaz vuurtje. Olijfolie erin, in plakken gesneden tomaat erbij en dan een ei. Ik hield al van tomaten, maar deze bizar gevormde soortgenoot veranderde mijn liefde in gloeiende passie. Zo zoet, zoveel smaak… Zo horen tomaten dus te smaken, concludeerde ik. Hemels.

En nu, in mijn eigen tuintje, heb ik dit wonder zelf gekweekt. Met hulp van dezelfde zon die ik de afgelopen maanden regelmatig vervloekt heb.

It’s been over two and a half years now since Aliki died. I was – and still am – heartbroken. She died on December 24th, 2020. To keep myself from going insane with grief, I started writing down my memories of her, just for myself. To find answers to the many questions I had about her and her origins, I also read lots of scientific articles about dog behaviour, about primeval dogs, about methods of training… and before I knew, I’d written a book. In Dutch, for now. But who knows, maybe there will be an English version eventually, so everyone who has so lovingly followed her on my blog will be able to read the whole story.

Aliki died of Leishmaniasis, a mediterranean disease. It can’t be cured, but with the right medication it can be suppressed sufficiently for dogs to get old with it. Unfortunately, Dutch (and other non-mediterranean) vets are not educated about this potentially lethal disease.

The story of her life and death is in the book, titled ‘Aliki. Over de liefde van een zwerfhond’ (About the Love of a Stray).

Na mijn vorige blog, waarin ik schreef dat ik mijn lichaam had geaccepteerd zoals het was, gebeurde er iets dat alles veranderde.

Ik had al een tijd last van ‘smetten’, tot aan infecties toe, onder mijn borsten. De zalfjes die ik daartegen moest smeren zijn niet bepaald gezond. In een gesprek met mijn lieve huisarts Emma stelde ik spontaan voor om mijn borsten sterk te laten verkleinen, of zelfs weg te laten halen, om het probleem definitief op te lossen. Zij keek mij wat glazig aan toen ik uitlegde dat ik dat niet erg zou vinden, integendeel. Dat ik nooit blij was geweest met het hebben van borsten. Toen ze rond mijn elfde begonnen te groeien riep ik woedend tegen mijn moeder dat ik ze ‘eraf zou hakken’. Emma bekende dat zij nog nooit met zoiets te maken had gehad, maar dacht meteen constructief mee. We zouden er beiden nog even over nadenken.

Op de fiets terug naar huis wist ik opeens zeker dat ik geen borstamputatie wilde. Vijftig jaar geleden had ik ervoor getekend, maar nu… Het ging mij erom – behalve om van het medische probleem verlost te zijn – dat ik er nog minder vrouwelijk uit wilde zien. Ik heb mij voor het grootste deel van mijn leven als androgyn beschouwd. Eigenlijk was dat niet helemaal de juiste benaming, maar er was geen taal voor wat het dan wel was: een diffuus gevoel over mijn gender, soms mannelijk, soms vrouwelijk, soms beide, soms geen van beide. In de voor mij bevrijdende terminologie van nu zou ik het ‘fluïde gender’ noemen. Dat is specifieker dan androgyn en dekt beter de lading van mijn gevoel over mijzelf. Ik heb geen behoefte aan geslachtsverandering, ik ben biologisch een vrouw en wil dat ook niet ontkennen.

Na mijn volgende bezoek zou Emma kijken wat de mogelijkheden zijn. Een genderkliniek was uitgesloten: er zijn wachtlijsten van zo’n drie jaar alleen al voor de intake en dan duurt het nog eens een jaar tot de operatie… Dan zou ik in de zeventig zijn. Bovendien gaat het niet om geslachtsverandering. Niet alleen dat, de primaire reden was medisch van aard en dat bood de gelegenheid om een plastisch chirurg te vinden die dit wilde doen.

Al heel snel na dit tweede gesprek kreeg ik een bericht van het provinciale ziekenhuis hier in de buurt: begin januari kon ik gaan praten met een plastisch chirurg. Ik kon kiezen wie, maar er stond op het lijstje niet bij of het mannen of vrouwen waren, dus ik koos op goed geluk een naam. Bij de afspraak bleek het een man te zijn, niet mijn voorkeur. Maar, zo ondervond ik vrijwel direct, een sympathieke en niet benepen man. Ik vertrouwde hem. Hij begreep mijn uitleg – medisch plus bonus – meteen en wilde eraan meewerken. Hij zou mijn borsten zo klein mogelijk maken.

Fast forward naar het heden: gisteren ging ik onder het mes en vandaag ben ik alweer thuis. Nauwelijks pijn en drastisch verkleinde borsten. ‘1250 gram,’ zo meldde de chirurg gisteren toen hij langskwam om te zien hoe het met mij ging. Zo veel had hij verwijderd. Ik meende enige trots in zijn stem te bespeuren. En ik zat er niet naast. Vanochtend, bij het laatste onderzoekje, vertelde hij dat het een uitdaging was geweest: hij had nog nooit een zo sterke borstreductie uitgevoerd: van cupmaat DD naar iets tussen AA en A in. De komende twee weken moet ik voorzichtig zijn met tillen en reiken: als het pijn doet, moet ik het niet doen. Daarna zijn de snijwonden geheeld en kan ik het resultaat pas echt zien. Ik ben nu al blij.

Het gender-fluïde leven begint kennelijk bij nog net niet 67.

“Meneer…” iemand achter me vraagt mijn aandacht, dus ik draai me om. “O sorry, hoor… ik bedoel ‘mevrouw’.” Met een geruststellende glimlach zeg ik dat het niet geeft, dat het mij vaker overkomt dat ik met ‘meneer’ word aangesproken. En dat ik dat niet erg vind. Maar toch voelt degene die mij met de ‘verkeerde’ titel aansprak zich ongemakkelijk. Waarom? Wat is er zo belangrijk aan iemands geslacht?

Er was een tijd dat ik het juist fijn vond om met ‘meneer’ te worden aangesproken. Het bevestigde mijn overtuiging dat ik eigenlijk als jongetje geboren had moeten worden. Ik schrijf met opzet ‘overtuiging’ en niet ‘gevoel’. Net als vrijwel iedereen dacht ik in binaire termen: je bent een man of je bent een vrouw. Maar wat ik dacht, kwam niet overeen met wat ik voelde: soms noch het één noch het ander en soms beide.

Als kind maakte ik het onderscheid niet, al speelde ik liever met jongetjes omdat die dezelfde dingen leuk vonden als ik. Avontuurlijke spelletjes, pijl en boog maken, in bomen klimmen (weer naar beneden komen was een heel ander verhaal – dan deed mijn hoogtevrees zich gelden), vissen en fikkies stoken. In het algemeen hield ik meer van doen dan van kwebbelen. Ik had één goede vriendin op de lagere school – maar die had een grote hond, reed paard en hield van stoere spelletjes, bij voorkeur met de windbuks van haar oudere broer – dus die had zich gekwalificeerd als geschikt speelkameraadje.

Toen mijn borsten begonnen te groeien, voelde ik mij verraden. Ik had geen magische bezweringsformules à la Andreas Burnier, maar riep woedend tegen mijn moeder ‘ik hak ze eraf!’ Helaas trok mijn lichaam zich niets aan van wat ik wilde en werd een vrouwenlichaam. Mijn puberteit was zo mogelijk nog verwarrender dan hij toch al hoort te zijn. Gestimuleerd door mijn mooie en zeer ijdele moeder begon ik soms vrouwenkleding te dragen, mij op te maken en ik liet mijn haar groeien. Alles om haar maar gelukkig te maken, hoe ongemakkelijk ik mij ook voelde in sexy, vrouwelijke kleding. Ik voel nog steeds de te korte rokken (mini was in de mode) die ik uit alle macht naar beneden bleef trekken. Jeans waren mijn redding: modieus en niet al te vrouwelijk, al moesten ze wel strak zitten volgens de geldende normen.

Rond mijn achttiende, in 1974, overwoog ik serieus een geslachtsveranderende operatie. Maar de endocrinoloog van de VU was het daar niet mee eens en verwees mij naar een psycholoog. Daar ging het al heel snel over andere zaken die mij dwarszaten. Het onderwerp ‘geslacht’ was kennelijk afgehandeld en ik legde mij enigszins mokkend neer bij de onveranderbaarheid van mijn lichaam.

Wat bleef, was de aantrekkingskracht van androgyne verschijningen, of zij nu man of vrouw waren. Vooral ‘jongensachtige’ meisjes en vrouwen waren het object van mijn – meestal stille – aanbidding. Maar ook mannen met een vrouwelijke uitstraling intrigeerden mij, ware het dat mijn belangstelling voor hen niet seksueel van aard was.

Gedurende een lange periode bleef mijn haarlengte de morsecode waaraan mijn genderidentificatie van het moment viel af te lezen: lang – kort – kort – lang – lang – kort. Ik kleedde mij meestal zo neutraal mogelijk, maar dat viel niet op in de kringen waarin ik verkeerde, linkse activisten en krakers.

Langzaam, achteraf verbazend langzaam, ging de buitenkant, de uiterlijke schijn van mijn lichaam, er steeds minder toe doen. Door onderzoek te doen kwam ik erachter dat mijn hersenen meer ‘mannelijke’ eigenschappen hebben dan die van de gemiddelde vrouw. Dat klopt met mijn ervaringen met hetero-vriendinnen die mij soms geïrriteerd laten weten dat ik in mijn reacties ‘net een man’ ben. Tja, als je mij uitgebreid gaat vertellen over je problemen, dan verwacht ik dat je advies wilt hebben, maar dat blijkt dus een mannelijke gedachte te zijn.

Tegelijkertijd ben ik zeer zorgzaam (dus ‘vrouwelijk’), zoals ik de afgelopen tien jaar heb ontdekt. Het zorgen voor mijn oude moeder openbaarde een moederlijkheid die ik niet van mijzelf kende. Ik kookte vaak voor een hele week voor haar, omdat zij de door de zorginstelling aan huis bezorgde diepvries maaltijden vies vond. En terecht. Ik zette moeder en rollator (later rolstoel) in mijn auto en reed het hele land door naar tentoonstellingen of concerten. Want zonder kunst, literatuur en muziek had het leven geen zin voor haar. Mijn rug bleek na het overlijden van mijn moeder voorgoed beschadigd, maar dat woog niet op tegen het besef dat ik haar laatste jaren een beetje minder verschrikkelijk had helpen maken. Hoe vrouwelijk van mij.

Het erkennen, nee, omarmen van beide kanten van mijzelf blijkt te zijn wat ik nodig heb. De gedachte dat ik ‘in het verkeerde lichaam’ zit, stierf langzaam weg. Goed, ik geef toe dat ik nog steeds zou willen dat mijn borsten kleiner waren, liefst ‘erwten op een plankje’, maar aangezien ik principieel tegen onnodige medische ingrepen ben, laat ik het maar zo. Uiteraard beschouw ik geslachtsveranderende operaties bij transgenders niet als onnodig. Ik begrijp het lijden, maar weet nu definitief dat ik niet tot deze groep behoor.

Ik ben ouderwets androgyn. Dus ik draai me om als iemand ‘meneer’ naar me roept en glimlach vriendelijk. Want ik ben óók een meneer.

Na de veel te snelle versoepeling van de ‘intelligente’ lockdown, maar vooral de weigering van Rutte (‘we zijn geen politiestaat’) om de toch nog geldende regels te handhaven, zitten we nu aan het begin van een tweede golf. De neoliberale aanpak van de pandemie laat steeds meer zijn ware gezicht zien: wie kwetsbaar of oud is, moet het zelf maar uitzoeken. De economisch productieve mens gaat voor.

Deskundigen die ingaan tegen het vooral door economische motieven ingegeven beleid, worden genegeerd of afgeserveerd. Het belangrijkste doel blijft de economie draaiend te houden. Daarom wordt er meestal laat, zelfs veel te laat, gereageerd op tekenen dat het de verkeerde kant opgaat. Dat was zo tijdens de eerste golf en dat is niet veranderd.

Even terug naar het begin. Er wordt ingezet op ‘groepsimmuniteit’, iets dat op dat moment al als onhoudbaar is verworpen door bijvoorbeeld dezelfde Britse wetenschappers die eerder met dit idee kwamen. Marion Koopman, lid van het OMT en hoogleraar virologie aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam, moet toegeven dat deze strategie veertig- tot tachtigduizend doden zou kunnen kosten. Het OMT, bij monde van voorzitter Jaap van Dissel, sust de boel de volgende dag door te zeggen dat groepsimmuniteit geen doel op zich is. Zie meer hierover in het uitstekende artikel van Jop de Vrieze in De Groene Amsterdammer.

Dat wordt geslikt. Zowel media als Tweede Kamer zien over het hoofd dat met deze sussende woorden de strategie niet is veranderd. En dat blijkt. De kwetsbaren, die volgens Rutte beschermd zouden worden, sterven bij bosjes in verpleeghuizen omdat daar geen beschermende kleding beschikbaar komt.

Van Dissel en de zijnen houden de oogkleppen op: alleen wat binnen hun eigen kleine kring als goed beleid wordt gezien, wordt in overweging genomen. De veel betere resultaten van ander beleid, denk aan Duitsland en Nieuw Zeeland, worden eenvoudig genegeerd. Het OMT lijkt in dienst te staan van het neoliberale beleid: zolang de ICs niet overstromen, is er niets aan de hand. Dan mag het virus zich vrijwel ongehinderd verspreiden. Ook nu er op grotere schaal wordt getest, blijft dat gelden. Want dit testen leidt niet tot verplichte quarantaine, dus iedereen heeft de mogelijkheid om – positief getest en wel – vrolijk andere mensen te blijven besmetten.

Dat laatste wordt erger met het verstrijken van de maanden. Door de veel te snelle versoepeling van de maatregelen aan het einde van de eerste golf verspreidt het virus zich razendsnel en dient een tweede golf zich al aan in augustus. Rutte blijft vrijblijvend oproepen om toch vooral de maatregelen in acht te nemen. Ook als steeds minder mensen dat doen, blijft hij dat volhouden met de drogredenering dat ‘we geen dictatuur zijn’. Handhaving van maatregelen die moeten voorkomen dat duizenden mensen een afschuwelijke dood sterven staat gelijk aan dictatuur? Dat zou dan ook moeten gelden voor maatregelen als de verplichting veiligheidsgordels te dragen in de auto; niet te mogen appen op de fiets; of simpelweg de verplichting te stoppen voor een rood stoplicht.

Een steeds grotere groep mensen pikt het signaal dat Rutte geeft feilloos op: als er niet wordt gehandhaafd, is het kennelijk niet belangrijk. En dus wordt de anderhalve meter maatregel nu vrijwel door iedereen overtreden; zitten de kroegen stampvol; dragen veel mensen de in het OV verplichte mondkapjes onder de kin; en om nog eens te bevestigen dat je je achterwerk kunt afvegen met die coronamaatregelen, hield de minister van Justitie en Veiligheid een huwelijksfeest waarbij men dicht opeengepakt stond. Diezelfde minister die mensen die zich niet aan de regels houden ‘aso’s’ noemde. Politieke gevolgen? Welnee! Rutte vindt Grapperhaus nog steeds ‘geloofwaardig’. De vergelijking met een zekere president van de Verenigde Staten begint zich op te dringen. Rutte als ‘Trump light’. Ook het laffe afschuiven van de verantwoordelijkheid voor impopulaire maatregelen op de regio’s doet sterk denken aan Trump.

Het komt er op neer dat straks – nog meer dan nu – de grote bekken heer en meester zullen zijn in de openbare ruimte. Het ‘we zijn geen politiestaat’ betekent in de praktijk dat de overheid weigert de zwakkeren te beschermen. Het lijkt een metafoor voor het neoliberalisme, een ideologie die zich als ‘vrijheid, blijheid’ presenteert, maar in de praktijk alleen oog heeft voor de vrijheid van de sterksten, in de praktijk meestal de grote bedrijven. De economisch onproductieven, de ouderen, worden ‘dor hout’ genoemd.

Het ‘wij zijn geen dictatuur’ van Rutte past geheel in deze wijze van denken. De economisch sterksten schrijven immers al tijden (soms zelfs letterlijk) de wet voor. Ons welzijn, onze gezondheid, de natuur en andere economisch oninteressante zaken worden alleen met de mond gesteund, de portemonnee gaat alleen open voor grote bedrijven.

De zwakkeren staan nu voor de keuze om alsnog besmet te raken of in het geheel niet meer buiten te komen. Want op straat heerst – aangemoedigd door Rutte – het recht van de sterkste.

A few years after my mother and I visited Krakóv , I spent some time in that city again. After seeing the Disneyfication of the old ghetto Kazimierz, I vowed never to come back. This place of remembrance and contemplation, of sorrow and grief had become a milk-cow for commercial exploiters of false nostalgia. It made me sick.

Kaddish for Kazimierz
Yitgadal veyitkadash sh’mei raba
let it rest now, it is over – don’t pretend
b’alma divrah chirutei
don’t desecrate its slaughtered body
v’yamlich malchutei b’chayeichon
don’t put its corpse on show
uv’yomeichon uv’chayei
embalmed and made up
d’chol beit yisra’el
lipstick on putrified lips
ba’agalah u’vizman kariv
kohl on empty eye sockets

Yehei shemei raba mevorach
le’olam ul’almei almayah

yitbarach veyishtabach veyitpa’ar
you have earned the right to rest
veyitromam veyitnasei veyithadar
the right to be left alone, to mourn
veyitalei veyithalal
alone, undisturbed
shemei d’kudsha b’rich hu
Eternal One, send them away

le’eilah min kol birchata v’shirata
even in death you find no peace
tushbechata v’nechemata
but are bought and sold again
da’amiran b’alma v’imru amein
your memories twisted, on display

yehei shlama raba min shemaya
killing you again and again
v’chayim aleinu v’al kol yisra’el
heartless, ruthless nostalgia
v’imru amein

osei shalom bimromav
hu ya’asei shalom aleinu
v’al kol yisra’el
v’imru amein

Graves

1
In a stone forest of
barely legible words
the trees whisper your greeting:
‘your unexpected existence
is without guilt –
not because, but despite
is what you are
feel welcome in our dead midst
living sprout
from a trunk presumed dead’.

2
I wanted to embrace and kiss them,
the cold sorrowful stones:
‘here I am, finally
I found you
in the maze of time’

there was no embrace
only the tips of my fingers
touched the rough hard skin
the underworld awoke
with a startled smile

after so many years, a voice!
the cool silence colours
in the shadowy depths
women with sheytls,
men in caftans shiver

my longing cannot bring back
the stones to life nor the ashes
the nameless not far from here
within the refuge of these ravaged walls

never before was I this close
each step pushes the distance along
my voice brings forth only silence
a last powerless look
I turn and leave.

3
the tender cracks sing
a long forgotten song
fear sinks deep –
in the awaiting ground
an unspoken question

how strange am I how close
to these ancestral graves –
will they mourn me or
refuse to speak my name,
still curse me?

will their curse damn me,
bring me to my knees
or make me revolt –
do I have to be like you,
because, because, because
and then?

how close am I how strange
to your perished world
but still –
our longing drives me
to this transparent dusk:
in vain?

4
While I softly caress the stone, the same
as she whose name I bear
she who died nameless
and sleeps without a name
while I softly caress this stone
the fog dissolves for a moment
time becomes transparent
then and later and now
the voice of the Eternal
sings in my head.

5
In this place
far away from the world
enclosed by walls
sprigs of ivy nurse
the stones and the dead
hidden like Your love
without beginning or end.

6
Small stone on big stone
salt tear in sweet pond
flesh of your flesh
if –
if I lay me down here, stretch
arms, legs on the soft ground
my roots will grow into the earth
reach out –
but never reach.

Ghosts

1
Standing among the speaking stones
I stare silently at the house
the scent of poverty in my nose
through the windows of time
I can see you on the porch
your pale face staring over the graves
– at me, or so it seems
but your eyes don’t see me
you don’t see me at all;
the stones become silent
the porch deserted
the windows reflect a broken sky
opaque as time.

2
shadow that enfolds me
and flees –
only patches
of boots, coat, beard
your voice hidden in time
sings in the shul nearby
your leather-wound hand
covers my eyes –
your feet dance away, away
from me –
shadow that flees
and enfolds me.

 

This is a cycle of poems I wrote in 1989 after a visit with my mother to Krakóv – where my family on my mother’s side came from.
I recently found them among my mother’s papers and I corrected and edited them. I do not pretend this is great poetry, but it reflects my thoughts and feelings upon visiting this emotionally charged city where my grandparents – and, for a couple of years, my mother – lived. My grandfather grew up in the Jewish ghetto Kazimierz, in a building that looks on the cemetery where the famous Rabbi Moses Isserles (writer of the Shulchan Aruch) is buried. My mother told me about the poverty and unsanitary circumstances in the ghetto; she saw it every time they visited her grandparents there. I visited the other cemetery, where many of my relatives (the ones who were lucky enough to die before the nazi occupation) are buried. I found graves of some of them.

I dedicate these poems to my Mother’s memory.

Intro
Two halves united
like Persephone in ancient times
led by your hand I enter
the land of shadows
as a bride – the gloomy king
forges in vain
chains made of Then

Outside new life beckons
the eternally young Queen
the sun caresses your hands, my skin –
then, underground chains rattle
me back in a soft whisper

Summer here, winter there
my life is split
since you gave me both
the gap closed
the Styx navigable
and me – a fragile bridge.

Streets

1
Buildings die slowly
grief shatters stones
skin bursts in nameless pain
doors as open wounds
never closed
walls mould feverishly

to die like this –
among strangers
listening, shivering
doorsteps wait for a beloved foot
life remembered in vain
in this emptiness
full of Then.

2
No flowers for empty streets
filled with decay and disgust
let the end come quickly now
body without a soul

buildings degraded to bricks
housing nothing but slimy rot
nothing will bring back together
what was separated by man.

Let us carry you to your grave
under a clear sky, in the light
of a cold, cold day
our eyes without tears.

3 Uprising in the ghetto
to stay to look to see
nameless courage in vain
streets covered with bodies,
warm, pierced – everywhere
you stand or walk
here they lay
feel the warmth of their blood
feel the softness of their strength
feel the harshness of their deaths
feel the unknown names –
etched in every stone.